Page 1
Toepassingsmogelijkheden van
de ICIDH binnen de verpleegkunde
Standaardverpleegplan Pijn
DEELPROJECT 1
Irene Jongerden
Doetie Visser
Ype van der Brug
Concernstaf Patiëntenzorg
September 2002
functies & anatomische
eigenschappen
activiteiten
participatie
aandoeningen, ziekten
gezondheidstoestand
persoonlijke factoren
externe factoren
ICD
ICIDH / ICF

Page 2
INLEIDING
De ontwikkeling van het standaardverpleegplan 'pijn' heeft deel uitgemaakt van het landelijke project
'De toepassing van de ICIDH in de verpleegkunde'. Dit project is van 2001 tot 2002 uitgevoerd vanuit
een samenwerking tussen het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging (LCVV), het Academisch
Medisch Centrum (AMC) Amsterdam, het Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG), het Universitair
Medisch Centrum St Radboud Nijmegen en de Katholieke Universiteit Nijmegen.
Doel standaardverpleegplan
Het standaardverpleegplan 'pijn' heeft tot doel om informatie over dit probleem te structureren en de
huidige kennis te bundelen. Het standaardverpleegplan vormt een hulpmiddel in het zorgproces,
waarbij de inhoud vertaald kan worden naar de individuele patiëntensituatie. Het
standaardverpleegplan omvat op kennis gebaseerde inzichten en aanbevelingen. Een
verpleegkundige kan, waar mogelijk in overleg met de patiënt, de inhoud vertalen naar een individueel
verpleegplan.
Ontwikkeling
Bij de ontwikkeling van het standaardverpleegplan is gebruik gemaakt van de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek. Om na te gaan of de juiste bronnen zijn gebruikt en de juiste keuzes zijn
gemaakt, zijn experts betrokken om conceptversies te beoordelen. Daarnaast zijn verpleegkundigen
betrokken bij de ontwikkeling, om vanuit de praktijksituatie de inhoud te beoordelen. Dit heeft
plaatsgevonden middels groepsinterviews en een testfase van het standaardverpleegplan op
afdelingen in drie academische ziekenhuizen, met aansluitend een interview met de gebruikers.
In het standaardverpleegplan is waar mogelijk gebruik gemaakt van terminologie uit de ICIDH-2
(Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren). Dit komt met name terug in de uitwerking
van de gerelateerde factoren.
Inhoud
Het standaardverpleegplan is uitgewerkt in de volgende aspecten:
• Omschrijving of definitie van het probleem 'pijn'
• Gerelateerde factoren of etiologie
• Kenmerken of signs & symptoms
• Beoogde resultaten
• Interventies
Doelgroep
Het standaardverpleegplan is bedoeld ter ondersteuning van verpleegkundige zorg aan volwassen
patiënten in algemene of academische ziekenhuizen. Echter ook in andere velden van de
gezondheidszorg of bij andere patiëntengroepen kunnen de problemen zich voordoen, zoals
bijvoorbeeld bij kinderen. Om het onderwerp af te bakenen en het standaardverpleegplan niet te
uitgebreid te maken, is ervoor gekozen om het te richten op de intramurale algemene
gezondheidszorg.

Page 3
Invullen
Door de vormgeving is het mogelijk om relevante aspecten aan te kruisen en het
standaardverpleegplan in het dossier van de patiënt te voegen. Bovenaan de pagina kunnen de
gegevens van de patiënt (ponsafslag) vermeld worden, evenals de datum van invullen en de naam
van de verpleegkundige.
Het invullen kan in overleg met de patiënt plaatsvinden of, indien dit niet mogelijk is, door de
verpleegkundige worden ingevuld. Indien er wijzigingen in de zorg optreden die aanpassing van het
standaardverpleegplan noodzakelijk maken, is het raadzaam om een nieuw formulier in te vullen.
Daarnaast is het ook mogelijk om het standaardverpleegplan als naslagwerk te gebruiken. De inhoud
kan dan worden overgenomen op een eigen (verpleegplan)formulier.
Een geautomatiseerd systeem is nog in ontwikkeling.
Opbouw
Op de volgende pagina's staat het standaardverpleegplan 'pijn' weergegeven. Deze versie is te
gebruiken om relevante aspecten op aan te kruisen. Op de pagina's erna volgt een toelichting op de
inhoud van het standaardverpleegplan: begrippen worden toegelicht en de gebruikte bronnen worden
vermeld, evenals (bij de gerelateerde factoren) de ICIDH codes.
Opmerkingen
Indien u opmerkingen of aanvullingen heeft die betrekking hebben op de inhoud van het
standaardverpleegplan, kunt u deze melden aan het LCVV, e-mail infocentrum@lcvv.nl.

Page 4
< ruimte voor ponsafslag >
Ingevuld door: ………………………………..
Datum invullen: ………………………………
Datum evaluatie/stoppen: …………………..
PIJN
OMSCHRIJVING
Een onaangename zintuiglijke en emotionele gewaarwording als gevolg van een feitelijke of dreigende
weefselbeschadiging of beschreven in termen van zo'n beschadiging.
Specificeer:
- Duur van de pijn: sinds wanneer heeft de patiënt pijn? ………………………………………………
- Beloop van de pijn: is de pijn constant aanwezig of met tussenpozen? ……………………………
- Plaats van de pijn: waar zit de pijn? ……………………………………………………………………
- Ernst van de pijn …………………………………………………………………………………………
- Omschrijving van de pijn: is de pijn bijvoorbeeld brandend of stekend? ……………………………
GERELATEERDE FACTOREN
Ziekten
Infectie
Tumor, metastasen
Depressie
…………………………………..
Stoornissen:
Fractuur
Ontsteking
Weefselbeschadiging
Wond
Angst
Overmatige aandacht voor lichamelijke
toestand
Vermoeidheid
Machteloosheid
Boosheid
………………………….
Beperkingen in:
Gebruik van pijnmedicatie
Communicatie over pijn
Stress, spanningen
Het handhaven of veranderen van een
lichaamshouding
………………………..
Participatieproblemen:
…………………………
Persoonlijke factoren:
Opvattingen over omgaan met pijn
Culturele aspecten
Eerdere pijnervaring
Persoonlijkheid
Vertrouwen in eigen mogelijkheden (self
efficacy)
Onvoldoende kennis over pijn(bestrijding)
………………………….
Externe factoren:
Ongeval, trauma
Intensiteit van omgevingsprikkels
Gebrek aan sociale ondersteuning
Houding van naasten t.o.v. pijn
Onvoldoende aandacht voor pijn door
hulpverleners
Gebrek aan kennis over pijn en pijnbestrijding
bij hulpverleners
………………………….
Medische en verpleegkundige
verrichtingen:
Invasieve ingrepen (zoals infuus, operatie,
injecteren, uitzuigen)
Wondverzorging
(Bijwerking van) bestraling
(Bijwerking van) medicijnen
………………………….

Page 5
KENMERKEN
Verbale uitingen
Nonverbale uitingen
Fysiologische kenmerken
versnelde pols
toename van ademhalingsfrequentie
verhoogde bloeddruk
verwijdde pupillen
gewijzigde huidskleur
transpireren, zweten
misselijkheid/ braken
Beschermend of behoedzaam gedrag
Lichaamsbewegingen
Toegenomen spierspanning
Prikkelbaar
Op zichzelf gericht zijn, niets meer zeggen
Vermoeidheid, verstoring van slaap
………………………………………………………
BEOOGDE RESULTATEN
Bereiken van optimale pijnbestrijding
Verminderen, oplossen of voorkomen van pijn
Patiënt (en naaste) is op de hoogte van:
de oorzaak van de pijn
de voorgeschreven pijnstillers en aanvullende pijnmedicatie
de werking van de medicijnen tegen de pijn
de bijwerkingen van de pijnmedicatie en weet wat te doen aan de bijwerkingen
dat er geen verslaving optreedt bij het gebruik van pijnmedicatie
factoren die de pijn kunnen verergeren en wat te doen om dit zoveel mogelijk te beperken of te
voorkomen
Patiënt is trouw aan de pijnbestrijding
Patiënt (en naaste) wendt adequate (medische) hulp aan als de pijnklachten veranderen
Patiënt (en naaste) kan uitleggen welke gevolgen de pijn heeft voor het dagelijks leven en hoe hij
daarmee omgaat of wil omgaan
……………………………………………………………….
INTERVENTIES
Ten minste twee maal daags mate van pijn bepalen
Pijnscore noteren op temperatuurlijst
Nagaan welke score de patiënt draaglijk vindt
Patiënt een pijndagboek laten bijhouden
Nagaan wat patiënt weet over pijn en pijnbehandeling
Voorlichting geven aan patiënt (en naaste) over pijnbestrijding
Pijnmedicatie verstrekken
Indien mogelijk patiënt pijnmedicatie in eigen beheer geven
Massage
Toedienen warmte of koude
Ontspanningsoefeningen
Afleiding bieden
Evaluatie van effect pijnbestrijding
Patiënt zo nodig doorverwijzen naar andere disciplines
………………………………………………………………………..

Page 6
ACHTERGRONDINFORMATIE
In het navolgende wordt zo mogelijk een toelichting gegeven op de aspecten die in het
standaardverpleegplan genoemd worden. Tevens is hierbij aangegeven op welke bronnen de
aspecten gebaseerd zijn en zijn in de gerelateerde factoren verwijzingen naar de overeenkomende
ICIDH codes aangegeven.
OMSCHRIJVING
Gekozen is voor een internationaal geaccepteerde en gebruikte definitie van pijn: "Een onaangename
sensorische en emotionele ervaring die wordt geassocieerd met een werkelijke of mogelijke
weefselbeschadiging, of beschreven in termen van een dergelijke beschadiging". (1,2)
Specificeer voor een duidelijk beeld van de pijn van de patiënt het volgende:
- Duur van de pijn: sinds wanneer heeft de patiënt pijn? (3)
- Beloop van de pijn: is de pijn constant aanwezig of met tussenpozen? (3)
- Plaats van de pijn: waar zit de pijn? (3)
- Ernst van de pijn
-
Omschrijving van de pijn: is de pijn bijvoorbeeld brandend of stekend? (3)
GERELATEERDE FACTOREN
Dit zijn factoren die de beperking in therapietrouw veroorzaken, versterken of in stand houden. Het
wordt ook wel etiologische factoren genoemd.
Ziekten
Factoren in de categorie ziekten verwijzen naar een medische diagnose.
Infectie (4,5,6)
Tumor, metastasen (7,8,9)
Depressie (6,7,11,12)
Depressie komt veel voor bij patiënten met chronische pijn. Het lijkt dat pijn voorafgaat aan de
ontwikkeling van depressie (in plaats van een gevolg daarvan is)(10).
Stoornis in
Een stoornis verwijst naar een afwijking in functies of in structuur van het menselijk organisme (13).
Fractuur [s7700] (6,7,9)
Ontsteking [b4350] (7,8,9)
Weefselbeschadiging [s898] (7)
Wond [b810, s810] (5)
Angst [b1552]
Angst blijkt van invloed op pijn (5,6,7,11). Angst voor pijn kan leiden tot het proberen te ontwijken
van pijnproducerende situaties (33).

Page 7
Overmatige aandacht voor lichamelijke toestand [b1401]
Vermoeidheid [b4552] (5,9)
Machteloosheid [b1552] (9)
Boosheid [b1552] (9,11)
Beperking in
Een beperking is de moeite die een individu heeft met het uitvoeren van een activiteit (13).
Gebruik van pijnmedicatie [vgl. a5802]
De patiënt gebruikt te weinig pijnmedicatie, bijvoorbeeld door misvattingen (pijn hoort erbij, angst
voor verslaving) of door angst voor injecties (6,14).
Communicatie over pijn [a210-a299]
Patiënten kunnen niet altijd goed aangeven dat ze pijn hebben, zoals bijvoorbeeld verstandelijk
gehandicapten, niet-Nederlands sprekenden of verwarde mensen(5,6,9).
Stress, spanningen [a8301]
Stress en/of spanningen kunnen de beleving van pijn ongunstig beïnvloeden, mede veroorzaken
of juist het gevolg zijn van pijn (5,9,15).
Het handhaven of veranderen van een lichaamshouding [a310-a339] (6)
Participatieproblemen
Problemen die een individu heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven (13).
Persoonlijke factoren
Kenmerken van het individu, menselijke factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden, zoals geslacht,
leeftijd, opleiding, karaktereigenschappen, en dergelijke (13).
Opvattingen over omgaan met pijn [e410]
Patiënten vermijden soms om over hun pijn te spreken, bijvoorbeeld omdat ze het als
onvermijdelijk zien, omdat ze niet willen zeuren of omdat ze de hulpverlener niet willen storen.
(7,16,17)
Culturele aspecten [e450]
Culturele aspecten kunnen dienen als een barrière in pijnbestrijding, bijvoorbeeld als lijden gezien
wordt als deel van het leven. In de Westerse cultuur worden mensen die in stilte lijden en stoïcijns
zijn bewonderd, terwijl er veelal minachting is voor mensen die openlijk lijden. (4,5,9,18,19)
Eerdere pijnervaring [-]
Heeft de patiënt ervaring met pijn? Specificeer waar dit toen zat (regio), de ernst van de pijn, het
verloop en hoe de patiënt ermee om ging (gedrag) (7,9).
Persoonlijkheid [b1250]
Introvert versus extravert (9)

Page 8
Vertrouwen in eigen mogelijkheden (self efficacy) [-]
Vertrouwen in de eigen mogelijkheden is afgeleid van het begrip self-efficacy: de inschatting die
iemand maakt van zijn mogelijkheden om een bepaald gedrag te vertonen ofwel het vertrouwen
dat iemand heeft in zijn eigen mogelijkheden of competenties (34). Gebrek aan vertrouwen in de
eigen mogelijkheden om pijn te bestrijden is van invloed op de pijnintensiteit en op beperkingen
die door pijn veroorzaakt worden. Patiënten die geloven dat ze door pijn beperkt worden, zijn ook
meer beperkt (10,20,21).
Onvoldoende kennis over pijn(bestrijding) [-]
Patiënten beschikken soms over onvoldoende kennis over pijn en vermijden daardoor te spreken
over hun pijn of weigeren pijnmedicatie, bijvoorbeeld omdat ze vrezen dat ze verslaafd raken.
(6,16). Eenmaal thuis houdt de helft van de patiënten zich niet aan de
(pijn)medicatievoorschriften; er blijkt veelal sprake van een kennistekort (14).
Externe factoren
Externe factoren hebben betrekking op de fysieke en sociale omgeving waarin mensen leven (13). De
factoren bevinden zich buiten het individu en kunnen van invloed zijn op het functioneren van een
persoon. Het kan hierbij gaan om de directe omgeving, zoals de aanwezigheid van hulpmiddelen, of
om algemene omgeving, zoals gezondheidszorgvoorzieningen (22).
Ongeval (5), trauma (4,5,8) [-]
Intensiteit van omgevingsprikkels [vgl. e240,e250]
Fel licht of harde geluiden kunnen de pijn verergeren (11).
Gebrek aan sociale ondersteuning [e310-e399] (9,12)
Houding van naasten t.o.v. pijn [e410,e420,e430] (5)
Onvoldoende aandacht voor pijn door hulpverleners [-]
Hulpverleners hechten soms geen of onvoldoende belang aan pijnbestrijding (18): artsen schrijven
weinig pijnmedicatie voor, verpleegkundigen verstrekken niet altijd de voorgeschreven
pijnmedicatie (17,23,24).
Gebrek aan kennis over pijn en pijnbestrijding bij hulpverleners [-]
Om pijn te bestrijden is het nodig dat hulpverleners over voldoende kennis beschikken, zoals
kennis over hoe om te gaan met een PCA pomp, hoe de pijn vast te stellen, wat de bijwerkingen
zijn van pijnmedicatie, wat de kans is dat de patiënt verslaafd raakt aan pijnmedicatie en welke
niet-farmacologische interventies kunnen worden toegepast om pijn te bestrijden (17,18,23,24,32).
Medische en verpleegkundige verrichtingen:
Invasieve ingrepen
Invasieve ingrepen kunnen pijn veroorzaken, zoals bijvoorbeeld een infuus (5,7,15), operatie
(5,6,7,8,9), injecteren, uitzuigen (5).
Wondverzorging (5)
(Bijwerking van) bestraling (7,8,9)

Page 9
(Bijwerking van) medicijnen (15)
KENMERKEN
Kenmerken hebben betrekking op ervaringen van de patiënt of bevindingen van de verpleegkundige,
die kunnen duiden op de aanwezigheid van beperking in therapietrouw (22).
Verbale uitingen
Bijvoorbeeld pijn benoemen, au roepen, huilen, schreeuwen, zuchten, kreunen. (4,6,7,9,15,25)
Nonverbale uitingen
Bijvoorbeeld pijnlijke gelaatsuitdrukkingen, grimassen (4,6,7).
Fysiologische kenmerken (3)
Fysiologische kenmerken treden met name op bij acute pijn (4,7). Het gaat om:
versnelde pols (3,4,6,9)
toename van ademhalingsfrequentie (3,6)
verhoogde bloeddruk (3,6,9)
verwijdde pupillen (6)
gewijzigde huidskleur (bleekheid) (3,6)
transpireren, zweten (4,6,9)
misselijkheid/ braken (9)
Beschermend of behoedzaam gedrag
Bijvoorbeeld ondersteunen van een pijnlijk lichaamsdeel, stilliggen, terugtrekken (4,7,9).
Lichaamsbewegingen
Bijvoorbeeld ritmisch bewegen, compenserende lichaamshouding zoeken, ijsberen, wrijven van
lichaam (4,6,9).
Toegenomen spierspanning (3,6,9)
Prikkelbaar (4,7,15)
Op zichzelf gericht zijn (6,9), niets meer zeggen (15)
Vermoeidheid, verstoring van slaap (26)
BEOOGDE RESULTATEN
Bereiken van optimale pijnbestrijding (23)
Verminderen, oplossen of voorkomen van pijn (6)
Patiënt (en naaste) is op de hoogte van:
• de oorzaak van de pijn (14)
• de voorgeschreven pijnstillers en aanvullende pijnmedicatie: kent naam, dosis en frequentie,
tijden en wijze van inname (14)
• de werking van de medicijnen tegen de pijn (14)
• de bijwerkingen van de pijnmedicatie en weet wat te doen aan de bijwerkingen (14)

Page 10
• dat er geen verslaving optreedt bij het gebruik van pijnmedicatie (14)
• factoren die de pijn kunnen verergeren (bijv. bepaalde bewegingen, vermoeidheid) en wat te
doen om dit zoveel mogelijk te beperken of te voorkomen (14)
Patiënt is trouw aan de pijnbestrijding (14)
Patiënt (en naaste) wendt adequate (medische) hulp aan als de pijnklachten veranderen (14)
Patiënt (en naaste) kan uitleggen welke gevolgen de pijn heeft voor het dagelijks leven en hoe hij
daarmee omgaat of wil omgaan (14).
INTERVENTIES
Ten minste twee maal daags mate van pijn bepalen (3)
Mate van pijn bepalen aan de hand van een numerieke pijnintensiteitsschaal (23,27).
Pijnscore noteren op temperatuurlijst (23)
Nagaan welke score de patiënt draaglijk vindt
Patiënt een pijndagboek laten bijhouden
Nagaan wat patiënt weet over pijn en pijnbehandeling (14)
Voorlichting geven aan patiënt (en naaste) over pijnbestrijding (6,28)
Voorlichting zowel mondeling als schriftelijk geven (32).
Pijnmedicatie verstrekken (6)
Medicatie bij voorkeur volgens een vast schema verstrekken i.v.m. het opbouwen van een spiegel
(28,29).
Indien mogelijk patiënt pijnmedicatie in eigen beheer geven (30)
Massage (28,31)
Toedienen warmte of koude
Bijvoorbeeld een kruik, warme douche of bad, warme handdoek of een koud washandje,
ijsklontjes in washandje, coldpack (28,31).
Ontspanningsoefeningen
Bijvoorbeeld ademhalingsoefeningen (28,31).
Afleiding bieden
Afleiden is niet eenvoudig, omdat pijn een aandachtvragende hoedanigheid is. Aangename
muziek of beelden of humor kunnen een positieve invloed hebben op de pijnbeleving (35).
Evaluatie van effect pijnbestrijding
Patiënt zo nodig doorverwijzen naar andere disciplines

Page 11
BRONNEN
1. Merskey, H. & Bogduk, N. (Eds.)(1994). Classification of chronic pain. Seattle, IASP Press, second edition.
2. RGO, Raad voor Gezondheidszorg Onderzoek (2001). Advies pijnonderzoek. Den Haag, RGO, publicatie 28.
3. Wit, R. de & Rond, M. de (2001). Pijnregistratie en pijnanamnese. In: R. de Wit. De verpleegkundige en
pijnbestrijding. Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.3, 15-20.
4. Turk, D.C. (1993). Assess the person, not just the pain. Pain: clinical updates, 1, 3.
5. Abu-Saad, H & Tesler, M. (1986). Pain. In: Carrier, V.K., Lindsey, A.M. & West, C.M. Pathofysiological
phenomen in nursing: human responses to illness. ??, chapter 10, 235-
6. McCaffery, M. & Beebe, A. (1989). Pain: Clinical manual for nursing practice. St. Louis, The C.V. Mosby
Company.
7. Wit, R. de (2001). Definities van pijn. In: R. de Wit. De verpleegkundige en pijnbestrijding. Houten/Diegem,
Bohn Stafleu Van Loghum, H.2, 8-14.
8. Rond, M.E.J. de, Wit, R. de, Dam, F.S.A.M. van & Muller, M.J. (2000). A pain monitoring program for nurses:
effects on communication, assessment and documentation of patients' pain. Journal of Pain and Symptom
Management, 20, 6, 424-439.
9. Francke, A.L. (1992). Pijn als verpleegprobleem: docenteneditie. Dwingeloo, Kavanah.
10. Arnstein, P., Caudill, M., Mandle, C.L., Norris, A. & Beasley, R. (1999). Self efficacy as a mediator of the
relationship between pain intensity, disability and depression in chronic pain patients. Pain, 80, 483-491.
11. Martin, P.R. & Teoh, H.J. (1999). Effects of visual stimuli and a stressor on head pain. Headache, 39, 10,
705-715.
12. Feldman, S.I., Downey, G. & Schaffer-Neitz, R. (1999). Pain, negative mood, and perceived support in
chronic pain patients: a daily diary study of people with reflex sympathetic dystrophy syndrome. Journal of
Consultative Clinical Psychology, 67, 5, 776-785.
13. RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (1999). ICIDH-2: Internationale classificatie van het
menselijk functioneren. Nederlandse vertaling van het Beta-2 voorstel, volledige versie. Bilthoven, RIVM.
14. Wit, R. de & Witkamp, F.E. (2001). Scholingsprogramma's voor patiënten met pijn. In: R. de Wit. De
verpleegkundige en pijnbestrijding. Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.8, 46-52.
15. Gogh, P.E.J.M. van, Hamers, J.P.H., Huijer Abu-Saad, H., Zomer, B.J. & Vogelaar, P.J.W. (1999). Een
onderzoek naar pijn bij volwassenen met een HIV-infectie. Verpleegkunde, 14, 2, 93-105.
16. McDonald, D.D., McNulty, J., Erickson, K. & Weiskopf, C. (2000). Communicating pain and pain
management needs after surgery. Applied Nursing Research, 13, 2, 70-75.
17. Schafheutle, E.I., Cantrill, J.A. & Noyce, P.R. (2001). Why is pain management suboptimal on surgical
wards? Journal of Advanced Nursing, 33, 6, 728-737.
18. Brockopp, D.Y., Brockopp, G., Warden, S., Wilson, J., Carpenter, J.S & Vandeveer, B. (1998). Barriers to
change: a pain management project. International Journal of Nursing Studies, 35, 226-232.
19. Dillon McDonald, D., McNulty, J., Erickson, K. & Weiskopf, C. (2000). Communicating pain and pain
management needs after surgery. Applied Nursing Research, 13, 2, 70-75.
20. Coughlin, A.M., Badura, A.S., Fleischer, T.D. & Guck, T.P. (2000). Multidisciplinairy treatment of chronic pain
patients: its efficacy in changing patient locus of control. Archives of Physical Medical Rehabilitation, 81, 6,
739-740.
21. Asghari, A. & Nicholas, M.K. (2001). Pain self-efficacy beliefs and pain behavior: a prospective study. Pain,
94, 85-100.
22. Brug, Y. van der & Jongerden, I. (2000). ICIDH in de verpleegkunde: helder communiceren met het
internationaal classificatiesysteem. Maarssen/Utrecht, Elsevier Gezondheidszorg/LCVV, LCVV Studies.
23. Rond, M. de (2001). Pain from zero to ten: effects of a pain monitoring program for nurses. Proefschrift,
Universiteit van Amsterdam.
24. Rond, M.E.J. de, Wit, R. de, Dam, F.S.A.M. van, Campen, B.Th.M. van, Hartog, Y.M. den & Klievink, R.M.A.
(2000). A pain monitoring program for nurses: effects on nurses' pain knowledge and attitude. Journal of Pain
and Symptom Management, 19, 6, 457-467.
25. Brown, S.T. (2000). Outcomes analysis of a pain management project for two rural hospitals. Journal of
Nursing Care Quality, 14, 4, 28-34.
26. Gibson, J.M. & Kenrick, M. (1998). Pain and powerlessness: the experience of living with peripheral vascular
disease. Journal of Advanced Nursing, 27, 4, 737-745.

Page 12
27. Briggs, M. & Closs, J.S. (1999). A descriptive study of the use of visual analogue scales and verbal rating
scales for the assessment of postoperative pain in orthopedic patients. Journal of Pain and Symptom
Management, 18, 6, 438-446.
28. Halfens, R., Derks, W.A.M. & Huijer-Abu Saad, H. (1994). Verpleegkundige pijninterventies in Nederlandse
ziekenhuizen. Verpleegkunde, 8, 4, 243-250.
29. Wit, R. de, Vielvoye-Kerkmeer, A.P.E. & Weide, M. van der (2001). Farmacologische pijnbestrijding. In: R. de
Wit. De verpleegkundige en pijnbestrijding. Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.5, 27-32.
30. Pasero, C. (2000). Pain control: oral patient-controlled analgesia. American Journal of Nursing, 100, 3, 24.
31. Wit, R. de (2001). Niet-farmacologische interventies bij pijnbestrijding. In: R. de Wit. De verpleegkundige en
pijnbestrijding. Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.6, 33-39.
32. Wit, R. de & Witkamp, F.E. (2001). Voorlichting en educatie over pijn en pijnbestrijding. In: R. de Wit. De
verpleegkundige en pijnbestrijding. Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.7, 40-45.
33. Strahl, C., Kleinknecht, R.A. & Dinnel, D.L. (2000). The role of pain anxiety, coping, and pain self-efficacy in
rheumatoid arthritis patient functioning. Behavior Research and Therapy, 38, 863-873.
34. Bandura, A. (1986). Social foundations of thought and action: a social cognitive theory. New York, Prentice
Hall.
35.
Villemure, C. & Bushnell, M.C. (2002). Cognitive modulation of pain: how do attention and emotion influence
pain processing? Pain, 95, 195-199.

Page 13