Page 1
Toepassingsmogelijkheden van
de ICIDH binnen de verpleegkunde
Standaardverpleegplan Beperking in Therapietrouw
DEELPROJECT 1
Irene Jongerden
Doetie Visser
Ype van der Brug
Concernstaf Patiëntenzorg
September 2002
functies & anatomische
eigenschappen
activiteiten
participatie
aandoeningen, ziekten
gezondheidstoestand
persoonlijke factoren
externe factoren
ICD
ICIDH / ICF

Page 2
INLEIDING
De ontwikkeling van het standaardverpleegplan 'beperking in therapietrouw' heeft deel uitgemaakt van
het landelijke project 'De toepassing van de ICIDH in de verpleegkunde'. Dit project is van 2001 tot
2002 uitgevoerd vanuit een samenwerking tussen het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging
(LCVV), het Academisch Medisch Centrum (AMC) Amsterdam, het Academisch Ziekenhuis Groningen
(AZG), het Universitair Medisch Centrum St Radboud Nijmegen en de Katholieke Universiteit
Nijmegen.
Doel standaardverpleegplan
Het standaardverpleegplan 'beperking in therapietrouw' heeft tot doel om informatie over dit probleem
te structureren en de huidige kennis te bundelen. Het standaardverpleegplan vormt een hulpmiddel in
het zorgproces, waarbij de inhoud vertaald kan worden naar de individuele patiëntensituatie. Het
standaardverpleegplan omvat op kennis gebaseerde inzichten en aanbevelingen. Een
verpleegkundige kan, waar mogelijk in overleg met de patiënt, de inhoud vertalen naar een individueel
verpleegplan.
Ontwikkeling
Bij de ontwikkeling van het standaardverpleegplan is gebruik gemaakt van de resultaten van
wetenschappelijk onderzoek. Om na te gaan of de juiste bronnen zijn gebruikt en de juiste keuzes zijn
gemaakt, zijn experts betrokken om conceptversies te beoordelen. Daarnaast zijn verpleegkundigen
betrokken bij de ontwikkeling, om vanuit de praktijksituatie de inhoud te beoordelen. Dit heeft
plaatsgevonden middels groepsinterviews en een testfase van het standaardverpleegplan op
afdelingen in drie academische ziekenhuizen, met aansluitend een interview met de gebruikers.
In het standaardverpleegplan is waar mogelijk gebruik gemaakt van terminologie uit de ICIDH-2
(Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren). Dit komt met name terug in de uitwerking
van de gerelateerde factoren.
Inhoud
Het standaardverpleegplan is uitgewerkt in de volgende aspecten:
• Omschrijving of definitie van het probleem 'beperking in therapietrouw'
• Gerelateerde factoren of etiologie
• Kenmerken of signs & symptoms
• Beoogde resultaten
• Interventies
Doelgroep
Het standaardverpleegplan is bedoeld ter ondersteuning van verpleegkundige zorg aan volwassen
patiënten in algemene of academische ziekenhuizen. Echter ook in andere velden van de
gezondheidszorg of bij andere patiëntengroepen kunnen de problemen zich voordoen, zoals
bijvoorbeeld bij kinderen (adolescenten). Om het onderwerp af te bakenen en het
standaardverpleegplan niet te uitgebreid te maken, is ervoor gekozen om het te richten op de
intramurale algemene gezondheidszorg.

Page 3
Invullen
Door de vormgeving is het mogelijk om relevante aspecten aan te kruisen en het
standaardverpleegplan in het dossier van de patiënt te voegen. Bovenaan de pagina kunnen de
gegevens van de patiënt (ponsafslag) vermeld worden, evenals de datum van invullen en de naam
van de verpleegkundige.
Het invullen kan in overleg met de patiënt plaatsvinden of, indien dit niet mogelijk is, door de
verpleegkundige worden ingevuld. Indien er wijzigingen in de zorg optreden die aanpassing van het
standaardverpleegplan noodzakelijk maken, is het raadzaam om een nieuw formulier in te vullen.
Daarnaast is het ook mogelijk om het standaardverpleegplan als naslagwerk te gebruiken. De inhoud
kan dan worden overgenomen op een eigen (verpleegplan)formulier.
Een geautomatiseerd systeem is nog in ontwikkeling.
Opbouw
Op de volgende pagina's staat het standaardverpleegplan 'Beperking in therapietrouw' weergegeven.
Deze versie is te gebruiken om relevante aspecten op aan te kruisen. Op de pagina's erna volgt een
toelichting op de inhoud van het standaardverpleegplan: begrippen worden toegelicht en de gebruikte
bronnen worden vermeld, evenals (bij de gerelateerde factoren) de ICIDH codes.
Opmerkingen
Indien u opmerkingen of aanvullingen heeft die betrekking hebben op de inhoud van het
standaardverpleegplan, kunt u deze doorgeven aan het LCVV, e-mail infocentrum@lcvv.nl.

Page 4
< ruimte voor ponsafslag >
Ingevuld door: ………………………………..
Datum invullen: ………………………………
Datum evaluatie/stoppen: …………………..
BEPERKING IN THERAPIETROUW
OMSCHRIJVING
De mate waarin iemands gedrag (in termen van medicatie inname, dieet volgen of veranderingen in
leefregels uitvoeren) overeenkomt met medisch of gezondheidsadvies.
GERELATEERDE FACTOREN
Ziekten
Depressie
……………………………………………………
Stoornis (in):
Cognitieve functies…………………………….
Geheugen………………………………………
Afhankelijkheid van alcohol of drugs…………
Motivatie…………………………………………
Angst…………………………………………….
Inadequate gezondheidspercepties………….
……………………………………………………
Beperking in:
Communicatie…………………………………...
Therapietrouw in verleden……………………..
Therapietrouw bij aanvang van behandeling
Therapietrouw met vervolgafspraken…………
Eten en drinken………………………………….
Lezen……………………………………………..
…………………………………………………….
Participatieproblemen:
Ontbreken van sociale relaties…………………
Ontbreken van een stabiele, intieme relatie
…………………………………………………….
.
Persoonlijke factoren:
Stress, onregelmatig leven……………………
Behandeling past niet goed in dagelijkse
routine
Leeftijd……..…………………………………..
Culturele aspecten……………………………
Onvoldoende vertrouwen in eigen
mogelijkheden
Ontkenning van ziekte, diagnose niet
accepteren
Onvoldoende vertrouwen in de effectiviteit van
de therapie
Onvoldoende kennis van de voorschriften
…………………………………………………
Externe factoren:
Kosten (eigen bijdrage)………………………
Ontbreken van symptomen…………………
Duur van de therapie…………………………
Complexiteit van de therapie…………………
Bijwerkingen van de therapie…………………
Beperking in toegankelijkheid van
gezondheidszorgvoorzieningen………………
Interactie tussen hulpverlener en patiënt……
Kwaliteit van de gegeven instructies…………
Gebrek aan continuïteit van zorg……………
Mening van directe naasten…………………
………………………………………………….

Page 5
KENMERKEN
Rapportage van beperking in therapietrouw door de patiënt
Rapportage door naasten
Rapportage door hulpverleners
Observatie: onvoldoende inname van medicatie, afwijken van dieet
Laboratorium uitslagen
Elektronische vaststelling van beperking in de therapietrouw
Verergering van de aandoening of fysieke complicaties
Patiënt vermijdt te spreken over het volgen van de therapie
Patiënt komt bij afspraken niet opdagen
BEOOGDE RESULTATEN
Patiënt houdt zich aan de afspraken die in gezamenlijkheid opgesteld zijn
Patiënt meldt niet nagekomen afspraken in het kader van therapietrouw
Patiënt verwoordt factoren die het navolgen van de therapie bemoeilijken en geeft aan hoe hij
hiermee omgaat
INTERVENTIES
Geen van de interventies is succesvol op zich, een combinatie van interventies is nodig om
therapietrouw te bevorderen:
Patiënteneducatie (gefaseerd en zowel schriftelijk als mondeling) over
Aandoening …………………………………………………………………………………
Bedoeld effect therapie ……………………………………………………………………
Verminderen van risico's …………………………………………………………………..
De te volgen therapie …………………………………………………………………….. ..
Toedienen van medicatie: dosis, tijdstip, voorzorgsmaatregelen ……………………..
Bijwerkingen ………………………………………………………………………………….
het inpassen van de therapie in het dagelijks leven en wat te doen bij problemen
Gedragsinterventies
Behandeling zoveel mogelijk koppelen aan dagelijkse activiteiten van patiënt
Patiënt actief betrekken bij behandeling……………………………………………………….
Behandeling zo eenvoudig mogelijk houden ………………………………………………..
Gebruik van zelf monitoring strategieën door patiënten ……………………………………
Gebruik van hulpmiddelen …………………………………………………………………….
Patiënt medicatie in eigen beheer geven …………………………………………………….
Interventies gericht op sociale ondersteuning
In overleg met patiënt betrekken van partner bij de educatieve- en gedragsstrategieën in het
ziekenhuis
Patiënt informeren over lotgenotencontact …………………………………………………….
Continuïteit van zorg waarborgen
Regelmatige vervolgafspraken bij dezelfde hulpverlener ………………………………………
Contact opnemen met mensen die niet op de afspraak verschijnen …………………………..
Mogelijkheden bieden voor contact met hulpverlener …………………………………………..
Zorgdragen voor een goede overdracht ………………………………………………………….
Monitoren
Nagaan wat de patiënt (nog) wel en niet weet over de therapie ………………………………
Identificeren van risicofactoren ……………………………………………………………………
Monitoren therapietrouw ……………………………………………………………………………

Page 6
ACHTERGRONDINFORMATIE
In het navolgende wordt zo mogelijk een toelichting gegeven op de aspecten die in het
standaardverpleegplan genoemd worden. Tevens is hierbij aangegeven op welke bronnen de
aspecten gebaseerd zijn en zijn in de gerelateerde factoren verwijzingen naar de overeenkomende
ICIDH codes aangegeven.
OMSCHRIJVING THERAPIETROUW [a5802]
Gekozen is voor een internationaal geaccepteerde en gebruikte definitie van therapietrouw: "De mate
waarin iemands gedrag (in termen van medicatie inname, dieet volgen of veranderingen in leefregels
uitvoeren) overeenkomt met medisch of gezondheidsadvies" (1).
Als patiënten therapieontrouw zijn, nemen ze hun medicatie niet correct in, vergeten of weigeren ze
een dieet te volgen, voeren ze de voorgeschreven oefeningen niet uit, zeggen ze afspraken af of
komen ze niet opdagen, en houden ze vast aan levensstijlen die hun gezondheid in gevaar brengen
(2).
Therapietrouw varieert gedurende de behandeling: een patiënt kan bijvoorbeeld problemen hebben
met het accepteren van de behandeling of juist met het vervolg van de behandeling (3). Het risico van
beperking in therapietrouw is verergering van de klachten, overmedicatie (omdat de oorspronkelijke
dosis niet lijkt aan te slaan), complicaties of zelfs overlijden. Het is daarom belangrijk om
risicopatiënten voor therapieontrouw op te sporen (4, 5).
GERELATEERDE FACTOREN
Dit zijn factoren die de beperking in therapietrouw veroorzaken, versterken of in stand houden. Het
wordt ook wel etiologische factoren genoemd.
Ziekten
Factoren in de categorie ziekten verwijzen naar een medische diagnose.
Depressie
Depressieve patiënten hebben meer kans om therapieontrouw te zijn in vergelijking tot niet-
depressieve patiënten(2). Kenmerken van de depressie, zoals concentratieverlies, hopeloosheid,
hulpeloosheid, schuldgevoelens en terugtrekgedrag, kunnen leiden tot het niet adequaat kunnen
opvolgen van medische voorschriften, zoals medicatieadviezen (2, 6). Daarnaast gaat depressie
vaak gepaard met sociale isolatie en terugtrekken, terwijl steun van familie en een sociaal netwerk
belangrijk zijn voor therapietrouw. Tevens kan depressie worden geassocieerd met vermindering
in cognitief functioneren, wat nodig is om te herinneren en door te gaan met de behandeling. Het
is (nog) niet mogelijk om te bepalen wat de oorzaak en het gevolg is: veroorzaakt depressie
therapieontrouw of andersom? (2).
Stoornis in
Een stoornis verwijst naar een afwijking in functies of in structuur van het menselijk organisme (7).
Cognitieve functies [b170]
Cognitieve functies omvatten onder andere de organisatie van ideeën, inzicht en
beoordelingsvermogen, probleem oplossend vermogen (cognitieve flexibiliteit), uitvoerende
functies, inzicht en beoordelingsvermogen (7). Een stoornis in cognitieve functies kan
begripsproblemen veroorzaken (8).De verwachting is daarom dat patiënten die moeite hebben om
zich te concentreren, om verbale instructies te begrijpen of te herinneren minder therapietrouw
zijn. Er is echter nog geen wetenschappelijke onderbouwing hiervoor gevonden (3).

Page 7
Geheugen [b145]
Geheugen heeft betrekking op het opslaan en bewaren van informatie en het terugvinden van
informatie als dat nodig is. Het omvat het korte en lange termijn geheugen, geheugencapaciteit,
zich herinneren en functies die gebruikt worden bij oefenen en leren (7). De meest door patiënten
genoemde reden van therapieontrouw, vooral bij medicatievoorschriften, is 'vergeten' (3, 9). Met
name in de middenfase van de therapie zijn patiënten meer gewend aan de behandeling en gaat
vergeten een rol spelen (10).
Afhankelijkheid van alcohol of drugs [b1303]
Afhankelijkheid of verslaving kan zowel problemen opleveren in termen van therapietrouw als van
klinische uitkomst. Vaak is er tijdelijk verbetering, doch indien tijdens de behandeling alcohol of
drugsmisbruik plaatsvindt, treedt terugval op (6)
Motivatie [b1301]
Verschillende aspecten kunnen de motivatie beïnvloeden, zoals de persoonlijke opvatting over de
ziekte van de patiënt (bijv. een inadequate opvatting over ziekte en behandeling), de inschatting
die de patiënt maakt van de voordelen die de behandeling biedt en een negatieve reactie op
medicatie (3). Bij aanvang van de behandeling moet zorgvuldig worden nagegaan of de patiënt
gemotiveerd is (4).
Angst [b1552]
Angst heeft een onduidelijke relatie met therapietrouw. Als er sprake is van een algehele angst
voor de gezondheid, kan dit therapietrouw bevorderen, terwijl paniek mogelijk geen direct effect
heeft op therapietrouw (2) of juist problemen oplevert (6). Angst voor een bepaalde diagnose kan
een patiënt doen besluiten geen verder onderzoek te laten verrichten (11).
Inadequate gezondheidspercepties [vgl. b1704, b165, a140]
Opvattingen van de patiënt over de ziekte en behandeling ("gezond verstand") beïnvloeden
therapietrouw (4,5).
Beperking in
Een beperking is de moeite die een individu heeft met het uitvoeren van een activiteit (7).
Communicatie [a210-a299](12)
Therapietrouw in verleden [a5802]
Een belangrijke voorspeller van therapietrouw met medicatie is de therapietrouw in het verleden of
bij aanvang van de behandeling (4).
Therapietrouw bij aanvang van behandeling [a5802]
Therapietrouw in het begin van de behandeling voorspelt therapietrouw op lange termijn (10) en
voorspelt betere therapietrouw (9). Een belangrijke voorspeller van therapietrouw met medicatie is
de therapietrouw in het verleden of bij aanvang van de behandeling (4).
Therapietrouw met vervolgafspraken [a5802]
Er is een relatie tussen het niet nakomen van afspraken (afzeggen, niet op komen dagen) en
therapieontrouw met medicatie (2,4). Afspraken niet nakomen is makkelijk te ontdekken en moet
worden gezien als een waarschuwingssignaal voor therapieontrouw (4). Intramuraal kan gedacht
worden aan het niet nakomen van (vervolg)afspraken met onderzoeksafdelingen.

Page 8
Eten en drinken [a560, a570]
Heeft betrekking op het klaarmaken van geserveerd voedsel en drinken, naar mond toe brengen,
nuttigen op een in de betreffende cultuur acceptabele wijze. Inclusies: in stukken snijden of breken
van voedsel, openen van flessen en blikken, gebruiken van eetgerei, maaltijden nuttigen, vasten,
mengen, roeren en uitschenken van vloeistoffen om te drinken, drinken met een rietje (7).
Lezen [a120] (12)
Voor patiënten die niet goed kunnen lezen, moet apart schriftelijk informatiemateriaal worden
ontwikkeld (zoals bijv. gebruik van pictogrammen)(4).
Participatieproblemen
Problemen die een individu heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven (7).
Ontbreken van sociale relaties [p410-p499]
Sociale isolatie en gebrek aan sociale ondersteuning, ontbreken van hulp en steun van
familieleden (2,3,5). Sociale isolatie is een risicofactor vanwege gebrek aan sociale ondersteuning
en vanwege een grotere kans op depressieve symptomen bij mensen die sociaal geïsoleerd zijn
(2).
Ontbreken van een stabiele, intieme relatie [vgl. p420] (3)
Sociale steun heeft positieve invloed op therapietrouw: belangrijke anderen die de medicatie
voorbereiden, een patiënt helpen herinneren om medicatie op tijd in te nemen, recepten ophalen
en ondersteunen in de beslissing om contact te zoeken met een hulpverlener als er problemen
ontstaan (4).
Persoonlijke factoren
Kenmerken van het individu, menselijke factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden, zoals geslacht,
leeftijd, opleiding, karaktereigenschappen, en dergelijke (7).
Stress [a8301] (3), onregelmatig leven [a820] (13)
Behandeling past niet goed in dagelijkse routine [a820]
Als een schema niet goed in de dagelijkse routine past, wordt het opvolgen ervan bemoeilijkt (3).
Ook is mogelijk dat het schema verstoord wordt, bijvoorbeeld door reizen, uit eten gaan,
onderbrekingen, en dergelijke. Dit kan eveneens zorgen voor problemen met therapietrouw (9).
Leeftijd [-]
In populaties van transplantatiepatiënten laten adolescenten de hoogte mate van therapieontrouw
zien (4). Daarnaast wordt aangegeven dat beperking in therapietrouw meer voorkomt bij oudere
patiënten (11), hoewel er geen bewijs lijkt te zijn om aan te nemen dat therapieontrouw
gebruikelijker is bij ouderen (14). Uitzondering wordt gemaakt voor 'oudere-ouderen':
therapietrouw lijkt problematischer te zijn bij patiënten van 75 jaar of ouder. Mogelijk kan dit
worden gerelateerd aan cognitieve veranderingen. (9).
Culturele aspecten [vgl. e440, e450, e460]
Onvoldoende vertrouwen in eigen mogelijkheden [p110]
Vertrouwen in de eigen mogelijkheden is afgeleid van het begrip self-efficacy: de inschatting die
iemand maakt van zijn mogelijkheden om een bepaald gedrag te vertonen ofwel het vertrouwen
dat iemand heeft in zijn eigen mogelijkheden of competenties (15). Dit "geloof in het eigen
kunnen" bevordert therapietrouw (9).

Page 9
Er zijn verschillende resultaten met self-efficacy en therapietrouw, waarbij zowel een positieve
relatie als ontbreken van een relatie gerapporteerd zijn (3). Het is een belangrijke factor bij het
opsporen van therapietrouw: het is voorspellend voor toekomstig gedrag en kan worden beïnvloed
door klinische interventie (4).
Ontkenning van ziekte, diagnose niet accepteren [-](12)
Onvoldoende vertrouwen in de effectiviteit van de therapie [-]
Niet geloven in de effectiviteit van de behandeling. Positieve verwachtingen en geloof in de
voordelen en effectiviteit van de behandeling zijn essentieel voor therapietrouw (2). Het oneens
zijn van de patiënt met de noodzaak van de behandeling kan een reden zijn voor therapieontrouw
(16).
Onvoldoende kennis van de voorschriften [-](17)
Onvoldoende of gebrekkige kennis hebben van de voorschriften (5); weinig of verkeerde kennis
van de aandoening kan ten grondslag liggen aan therapieontrouw (11). Patiënten moeten de aard
en het doel van de behandeling begrijpen, ze moeten weten welk gedrag de behandeling van ze
vraagt, hoe ze dit moeten uitvoeren, en wat ze moeten doen als er problemen ontstaan (4).
Externe factoren
Externe factoren hebben betrekking op de fysieke en sociale omgeving waarin mensen leven (7). De
factoren bevinden zich buiten het individu en kunnen van invloed zijn op het functioneren van een
persoon. Het kan hierbij gaan om de directe omgeving, zoals de aanwezigheid van hulpmiddelen, of
om algemene omgeving, zoals gezondheidszorgvoorzieningen (18).
Kosten [e120] (2)
De patiënt is niet in staat om de kosten (bijv. eigen bijdrage) te betalen (16). Indien een eigen
bijdrage voor medicatie wordt gevraagd, is er een aantal patiënten niet in staat om de
voorgeschreven medicijnen te verkrijgen/bekostigen (4).
Ontbreken van symptomen [-]
De patiënt voelt zich niet ziek door het ontbreken van symptomen, en hierdoor neemt de
therapietrouw af. Als patiënten geen symptomen hebben, voelen ze zich niet ziek en zien ze geen
reden tot behandeling. (19). Een voorbeeld hiervan is hypertensie: dit verloopt vaak
asymptomatisch, waardoor patiënten niet gemotiveerd zijn om drastische veranderingen in hun
leefstijl te maken (20). Patiënten kunnen ook anticiperen op symptomen en daarin
therapieontrouw zijn: ze voelen het wel als de symptomen verergeren en nemen dan actie (4). Dit
kan resulteren in meer medicatie nemen als voorgeschreven als de symptomen toenemen en
minder medicatie nemen als er bijwerkingen optreden of symptomen ontbreken (9).
Duur van de therapie [-]
Betreft het een korte of een (levens)lange periode waarin de voorschriften gelden (11).
Therapietrouw neemt af met de duur van het gebruik (4,17), tijdens een kortdurende behandeling
is driekwart van de patiënten therapietrouw (5,10). Bij chronische behandeling raken patiënten
meer vertrouwd met de voorgeschreven medicijnen en gaan zelf variëren in de dosering (10). De
mate van therapietrouw is lager bij chronische dan bij acute ziekten, mogelijk doordat de
voordelen minder duidelijk zijn, aangezien het opvolgen van voorschriften niet tot genezing leidt
(21). Interventies moeten dus niet beperkt worden tot de periode waarin met de behandeling wordt
gestart (4).

Page 10
Complexiteit van de therapie [e1101]
Om therapietrouw te bevorderen moet de behandeling zo eenvoudig mogelijk zijn en zo min
mogelijk verschillen van de normale levensstijl van de patiënt (17,20). Minder complexe
voorschriften (bijv. minder pillen, minder frequent) zorgen voor betere therapietrouw (6,8).
Patiënten volgen complexe voorschriften minder goed op. Zo wordt medicatie 3x daags innemen
slechter opgevolgd dan 1x daags (10)
Bijwerkingen van de therapie [vgl. e1101]
Als een patiënt die last heeft van bijwerkingen van de therapie, kan dit leiden tot het minder goed
volgen tot stoppen van de behandeling (2,3,16). Ook cosmetische bijwerkingen kunnen erg
vervelend zijn en leiden tot therapieontrouw (4).
Beperking in toegankelijkheid van gezondheidszorgvoorzieningen [vgl. e670]
Lange wachttijden of moeilijke toegang tot gezondheidszorg (bijv. bereikbaarheid) beïnvloeden
therapietrouw negatief (4,5,22).
Interactie tussen hulpverlener en patiënt [-]
Een slechte relatie tussen hulpverlener en patiënt kan therapietrouw negatief beïnvloeden (3,16).
Hierbij valt te denken aan een niet goed verlopende communicatie, didactische onkunde, of een
verschil in opvatting tussen patiënt en hulpverlener over de ziekte en de behandeling (4,5). Een
open en empatische benadering heeft de voorkeur boven een dominante en beoordelende stijl (4).
Kwaliteit van de gegeven instructies [-]
Slechte instructies kunnen therapietrouw negatief beïnvloeden (4, 6, 16,17)
Gebrek aan continuïteit van zorg [-]
Continuïteit van zorg is erg belangrijk in het kader van therapietrouw (6). Het kan gaan om een
gebrek aan continuïteit van zorg door afspraken met verschillende hulpverleners of door door
onregelmatige vervolgafspraken (4). Therapietrouw neemt af tussen klinische afspraken in (3).
Mening van directe naasten [vgl. e410, e420, e470](13)
KENMERKEN
Ervaringen van de patiënt of bevindingen van de verpleegkundige, die kunnen duiden op de
aanwezigheid van beperking in therapietrouw (18).
Rapportage van beperking in therapietrouw door de patiënt
Een patiënt kan melding maken van therapieontrouw als ernaar gevraagd wordt (mondeling of
schriftelijk), als ook via dagboeken (3,17). Rapportage door de patiënt laat een consequente
onderschatting van therapietrouw zien, mogelijk door beperkingen in het geheugen. Het toont
bovendien geen patronen in therapieontrouw aan (23).
Rapportage door naasten (13)
Rapportage door hulpverleners
Bij rapportage door hulpverleners moet rekening worden gehouden met een onderschatting van
therapietrouw (23).

Page 11
Observatie
Bij medicatie-inname betreft dit een indirecte meting, waarbij geen informatie beschikbaar is over
de regelmaat van inname (17,23).
Laboratorium uitslagen
Labuitslagen geven echter geen inzicht in dagelijkse variatie in therapietrouw noch in een
algemeen niveau van therapietrouw (3,11).
Elektronische vaststelling van beperking in de therapietrouw
Bij elektronische vaststelling wordt gebruik gemaakt van chips om tijdstippen in het kader van
therapietrouw vast te leggen en op te slaan. De gegevens kunnen worden ingelezen in een
computer voor een overzicht en voor analyse van het gedrag (3,23). De methode is beschikbaar
voor medicatie, waarbij de chip in het deksel van een pillendoosje zit, en waarbij het openen en
sluiten van het doosje geregistreerd wordt. Daarnaast is het ook beschikbaar voor bijvoorbeeld
oefeningen (3). Elektronische vaststelling wordt gezien als een van de beste methoden om
therapietrouw vast te stellen (3,4,23). Het blijkt gevoelig in vergelijking tot de andere kenmerken
en geeft bovendien inzicht in het gedrag. Het is echter een indirecte methode, inname wordt niet
aangetoond (3,23).
Verergering van de aandoening of fysieke complicaties
Verergering of complicaties kunnen duiden op beperking in therapietrouw (2,17). Voorzichtigheid
is echter geboden: verergering of complicaties worden door meer factoren beïnvloed dan alleen
therapieontrouw. Bovendien uit therapieontrouw zich niet altijd in een klinische uitkomst (waarbij
een effect waarneembaar is)(23).
Patiënt vermijdt te spreken over het volgen van de therapie (13)
Patiënt komt bij afspraken niet opdagen
Niet op komen dagen is makkelijk vast te stellen en moet gezien worden als een
waarschuwingssignaal voor therapieontrouw (2,4).
INTERVENTIES
Geen van de interventies is succesvol op zich, een combinatie van interventies is nodig om
therapietrouw te bevorderen (4,24).
Patiënteneducatie (gefaseerd en zowel schriftelijk als mondeling) over (4,24)
Aandoening
ontstaan, behandelmogelijkheden, risicofactoren (19)
Bedoeld effect therapie (4)
Verminderen van risico's (20)
De te volgen therapie
Toedienen van medicatie:
dosis, tijdstip, voorzorgsmaatregelen (4)
Bijwerkingen (4)

Page 12
Het inpassen van de therapie in het dagelijks leven en wat te doen bij problemen (4)
Gedragsinterventies (4)
Behandeling zoveel mogelijk koppelen aan dagelijkse activiteiten van patiënt
Maaltijden, tandenpoetsen of bedtijd associëren met medicatie-inname (4,20,24)
Patiënt actief betrekken bij behandeling (25)
Laten beslissen over het voor hem meest gunstige tijdstip van inname (13)
Behandeling zo eenvoudig mogelijk houden (20)
Reduceren van complexiteit (4,24). Om therapietrouw te bevorderen moet de behandeling zo
eenvoudig mogelijk zijn en zo min mogelijk verschillen van de normale levensstijl van de patiënt
(17,20). Minder complexe voorschriften (bijv. minder pillen, minder frequent) zorgen voor betere
therapietrouw (6,8). Patiënten volgen complexe voorschriften minder goed op. Zo wordt medicatie
3x daags innemen slechter opgevolgd dan 1x daags (10).
Patiënt medicatie in eigen beheer geven
Medicatie in eigen beheer kan het vertrouwen van de patiënt in de eigen mogelijkheden
versterken (4).
Gebruik van zelf monitoring strategieën door patiënten
Bijvoorbeeld een checklist (4)
Gebruik van hulpmiddelen
Bijvoorbeeld een wekker zetten, gebruik maken van een kalender of een medicatiedoosje (4,24)
Interventies gericht op sociale ondersteuning (4)
• In overleg met patiënt betrekken van partner bij de educatieve- en gedragsstrategieën in het
ziekenhuis (4,20,24)
Patiënt informeren over lotgenotencontact (20,22)
Continuïteit van zorg waarborgen (4)
Regelmatige vervolgafspraken bij dezelfde hulpverlener
Een patiënt in zorg houden is een van de belangrijkste interventies voor therapietrouw (4,16,24)
Contact opnemen met mensen die niet op de afspraak verschijnen (2,4,16,24)
Een patiënt in zorg houden is een van de belangrijkste interventies voor therapietrouw (4,16,24)
Mogelijkheden bieden voor contact met een hulpverlener (26)
Zorgdragen voor een goede overdracht
Monitoren
Observeren, signaleren.
Nagaan wat de patiënt (nog) wel en niet weet over de therapie (13)
Identificeren van risicofactoren of gerelateerde factoren (4)
Monitoren therapietrouw (4)

Page 13
BRONNEN
1. Haynes, R.B., Taylor, D.W. & Sackett, D.L. (Eds.)(1979). Compliance in health care. Baltimore: John Hopkins
University Press.
2. DiMatteo, M.R., Lepper, H.S. & Crothan, T.W. (2000). Depression is a risk factor for noncompliance with
medical treatment. Archives of Internal Medicine (reprinted), 160, 2101-2107.
3. Dunbar-Jacob, J., Erlen, J.A., Schlenk, E.A., Ryan, C.M., Sereika, S.M. & Doswell, W.M. (2000). Adherence
in chronic disease. Annual Review of Nursing Research, 18, 48-90.
4. Geest, S. De, Abraham, I., Dunbar-Jacob, J. & Vanhaecke, J. (1999). Behavioral strategies for longterm
survival of transplant recipients. In: Métry, J.M. & Meyer, U.A. Drug regimen compliance: issues in clinical
trials and patiënt management. John Wiley & Sons Ltd, chapter 12, 163-179.
5. Geest, S. De (1999). Therapieontrouw in chronische patiëntenpopulaties: het paradigma van transplantatie.
Verpleegkunde, 14, 4, 251-252.
6. Fawcett, J. (1995). Compliance: difinitions and key issues. Journal of Clinical Psychiatry, 56 (supplement 1),
4-8.
7. RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (1999). ICIDH-2: Internationale classificatie van het
menselijk functioneren. Nederlandse vertaling van het Beta-2 voorstel, volledige versie. Bilthoven, RIVM.
8. Martin, K.A., Bowen, D.J., Dunbar-Jacob, J. & Perri, M.G. (2000). Who will adhere? Key issues in the study
and prediction of adherence in randomised controlled trials. Controlled Clinical Trials, 21, 195S-199S.
9. Dunbar-Jacob, J. & Mortimer-Stephens, M.K. (2001). Treatment adherence in chronic disease. Journal of
Clinical Epidemiology, 54, S57-S60.
10. Demyttenaere, K. (1998). Therapietrouw bij behandeling met antidepressiva. In: Knoppert-van der Klein,
E.A.M., Kölling, P. & Hoogduin, C.A.L. (red.). Richtlijnen ter bevordering van therapietrouw.Houten/Diegem,
Bohn Stafleu Van Loghum, H.3, 17-28.
11. Broekhuysen, A.M., Vreugdenhil, G. & Thien, Th. (1994). Therapietrouw: bepalende factoren en
mogelijkheden ter verbetering. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 138, 850-854.
12. Vossen, M.L. (1999). Standaardverpleegplannen voor de geestelijke gezondheidszorg: het proces en het
product. Maarssen, Elsevier/De Tijdstroom.
13. Leeuw, D. de & Hegeman, L. (2001). Pillen slikken: een pittige opgave. Nursing, 8, 4, 54-57.
14. McGraw, C. & Drennan, V. (2001). Self-administration of medicine and older people. Nursing Standard, 15,
18, 33-36.
15. Bandura, A. (1986). Social foundations of thought and action: a social cognitive theory. New York, Prentice
Hall.
16. Haynes, R.B., Montague, P., Oliver, T., McKibbon, K.A., Brouwers, M.C. & Kanani, R. (2001). Interventions
for helping patients to follow prescriptions for medications (Cochrane Review). The Cochrane Library, Issue
4. Oxford, Update Software.
17. Gerber, K.E. (1986). Compliance in the chronically ill: an introduction to the problem. In: K.E. Gerber & A.M.
Nehemkis (eds.). Compliance: the dilemma of the chronically ill. New York, Springer Publishing Compagny,
H.2, 12-23.
18. Brug, Y. van der & Jongerden, I. (2000). ICIDH in de verpleegkunde: helder communiceren met het
internationaal classificatiesysteem. Maarssen/Utrecht, Elsevier Gezondheidszorg/LCVV, LCVV Studies.
19. Lahdenperä, T.S. & Kyngäs, H.A. (2001). Levels of compliance shown by hypertensive patients and their
attitude toward their illness. Journal of Advanced Nursing, 34, 2, 189-195.
20. Freis, E.D. (1999). Improving treatment effectiveness in hypertension. Archives of Internal Medicine, 159,
2517-2521.
21. Gibson, J.M. & Kenrick, M. (1998). Pain and powerlessness: the experience of living with peripheral vascular
disease. Journal of Advanced Nursing, 27, 4, 737-745.
22. Volmink, J. & Garner, P. (2001). Directly observed therapy for treating tuberculosis (Cochrane review). The
Cochrane Library, Issue 4. Oxford, Update Software.
23. Geest, S. & Vanhaecke, J. (1999). Methodological issues in transplant compliance research.
Transplantsation Proceedings, 31, supplement 4A, 81S-83S.
24. Haynes, R.B., Wang, E. & Mota Gomes, M. da (1987). A critical review of interventions to improve
compliance with prescribed medications. Patiënt education and Counseling, 10, 155-166.
25. Knoppert-van der Klein, E.A.M., Kölling, P. & Hoogduin, C.A.L. (1998). Therapietrouw en
therapietrouwbevordering. In: Knoppert-van der Klein, E.A.M., Kölling, P. & Hoogduin, C.A.L. (red.).
Richtlijnen ter bevordering van therapietrouw.Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.1, 1-7.
26. Verbraak, M.J.P.M., Knoppert-van der Klein, E.A.M. & Hoogduin, C.A.L. (1998). Een programma ter
voorkoming van therapie-ontrouw. In: Knoppert-van der Klein, E.A.M., Kölling, P. & Hoogduin, C.A.L. (red.).
Richtlijnen ter bevordering van therapietrouw.Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum, H.9, 91-97.

Page 14